Laat een bericht achter in het gastenboek. Klik op contact.

 

 

 

Bronvermelding

 

Voor deze familiegeschiedenissen

is de bronvermelding

ter wille van de leesbaarheid achterwege gelaten.

Wilt u informatie over de bronnen,

laat dan een bericht achter. Klik hiervoor op 'contact'

of e-mail naar fransvangorkum@gmail.com

  

 

 

 

 

Familie Van Gorkum

(klik op deze link voor de stamreeks)

 

Familie Klutman

(klik op deze link voor de stamreeks)

 

Familie Ross

(klik op deze link voor de stamreeks)

 

Familie Harmsen

(klik op deze link voor de stamreeks)

 

Familie Van Gorkum Buren

(klik op deze link voor haar geschiedenis)

 

Familie Andriessen

(klik op deze link voor haar geschiedenis)

 

Familie Kluitman

(klik op deze link voor haar geschiedenis)

 

 

 

Betekenis familienaam Van Gorkum

 

De familienaam Van Gorkum is natuurlijk een afgeleide van de Zuid-Hollandse plaats Gorinchem. Ook zegt of schrijft men  Gorkum of Gorcum. De eerste vermelding van Gorinchem is in 1224 als Floris IV van Holland (1222-1234) aan de mannen van Boudewijn van Benthem de tolvrijheid bevestigt.

 

Om het ontstaan, de ouderdom en de betekenis van de naam te kunnen duiden, moet deze worden ontleed. Ik volg daarvoor de opvattingen van de naamkundige Johan Winkler. Die staan in het standaardwerk dat hij in 1885 schreef:

‘De Nederlandsche Geslachtsnamen, in oorsprong, geschiedenis en betekenis’.

 

Het eerste deel van de naam Gor is een mansvoornaam. Ze is een vervorming van de voornaam Gore/Goris/Joris. Het zijn oudnederlandse vormen van de Griekse/kerkelijke mansnaam Geoorgos/Georgius, Georg. Ze betekenen ‘landbouwer/ landman/ bewerker van de aarde’. Als Christelijke voornaam wordt ze omstreeks de 11de eeuw geïntroduceerd in de Lage Landen, verwijzend naar Sint Joris. Zijn feestdag viert men op 23 april.

 

Het tweede deel van de naam in(c) is de grammaticale verbuiging ing van de naam Goro. Tot omstreeks het jaar 1000 bleef in de Germaanse talen het gebruik levendig om patroniemen (vernoeming naar de vader) te vormen door ing achter een mansvoornaam te voegen. Daarna raakte deze naamsvorming in onbruik. Gorin(c) wil dus zeggen zoon van Goro.


Het derde deel van de naam (c)hem wijst op het woord heim, dat woonplaats/huis/hoeve betekent, in dit geval van de zoon van Goro. Ze heeft dus dezelfde oorsprong als Doetinchem, dat in het dialect als Dörkum wordt uitgesproken, en Woudrichem dat soms Worcum wordt genoemd.

Omstreeks het jaar 1000 moet de gekerstende Goro zich in het gebied van de Graven van Bentheim gevestigd hebben op een plek, die hem beviel. De grond bleek vruchtbaar. In de onmiddellijke nabijheid was water. Goro omringde zich met familie en vrienden. Hij bouwde op die plek een huis, ontgon en beweidde het omringende land en bleef er wonen tot zijn dood. Zijn oudste zoon die als toenaam het patroniem Goring voerde, bleef wonen in het huis van zijn vader en zette zijn werk voort. Ook zijn broers en zusters bleven wonen in het ouderlijk huis, de heim, of bouwden nieuwe huizen op het ruime ouderlijke erf. Na hen volgden hun kinderen en kleinkinderen. Zo ontstond langzamerhand een gehucht. Die plek had nog geen naam, want voordat Goro zich daar vestigde was het een onbewoond oord. Maar als iemand uit de buurt zich naar die plek begaf, had hij het over to die Goringsheim. Door afslijting van de taal en het snelle spreken ontstond to die Gorinchem. En nog later, toen de taal nog meer vervloeide en de oude namen niet meer herinnerd werden, kreeg de woonplaats van Goro de betekenis van plaatsnaam. Deze gaf op haar beurt weer oorsprong aan de geslachtsnaam Van Gorkum.

 

Deze uitleg naar Winkler sluit aan bij de bewoningsgeschiedenis van het Land van Arkel. Gorinchem ontstond in een gebied, dat oorspronkelijk zeer waterrijk was. Het was een vrijwel ontoegankelijk landschap. Tussen 970 en 1270 brachten ontginners het zompige land in cultuur.

 

Wie Goro of de familie Goring is? Er zijn geen bronnen gevonden die hieromtrent zekerheid verschaffen. Bert Stamkort die de geschiedenis van de stad Gorinchem beschreef, haalt de opvatting van de Gorkumse historicus C. van Zomeren aan. Deze wijst op een onbekende Goris, Joris of Georgius van Arkel en op Gerungus van Aspre die in 1134/1139 wordt genoemd. Ook noemt hij de geschiedkundige D.P. Blok, die als veronderstelling de heer van Goor introduceert. Deze kreeg in 1018 het prefectschap over Teisterbant in leen. In de Nederlandse Leeuw, 1937, k. 435 e.v., vermoedt J. de Groot, dat de stad Gorinchem haar naam heeft ontleend aan een tweetal nobiles van Asperen, die de voornaam Gorinc droegen (in 1076/1081 en 1134/1139).

 

In de veertiende eeuw wordt de stadsnaam voor het eerst als familienaam gebruikt. Ze is dan een aardrijkskundige naam c.q. herkomstnaam (toponiem) geworden voor mensen die zich vanuit de plaats Gorinchem elders vestigden.

Als eerste drager van de Brabantse-Achterhoekse familienaam Van Gorkum moet Gherardus Pyleck worden aangemerkt. Hij wordt aangeduid als komende van Gorinchem. Omstreeks 1400 wordt hij Gherardus genaamd Pyleck van Gorinchem genoemd.

 

Bijzonder aan de plaatsnaam is, dat deze op twee manieren kan worden geschreven en uitgesproken: Gorkum en Gorinchem. Hoe komt dat zo? In Nederland zijn de archaïsche schrijfwijzen van plaatsnamen bewaard gebleven, terwijl de uitspraak van die plaatsnamen soms afwijkt van de spelling. Kijk bijvoorbeeld naar Loil (oo), het Rotterdamse Charlois (oo), Doetinchem (Dörkum),  Chaam (met een k aan het begin), Goirle ([oo]), Helvoirt ([oo]), Huissen ([uu]), de Huet (uu), Oisterwijk ([oo]), Texel (een dubbele s in het midden), Woudrichem (Workum) en Wijchen (ie). Ook is dit terug te vinden in woorden als notoir (oo) of namen als Cluytmans (uu). In Duitsland wordt Kluitmann altijd uitgesproken met een uu-klank. In alle gevallen werd met de i, de u of de y in de geschreven taal duidelijk gemaakt, dat de voorafgaande klinker lang moest worden uitgesproken.
De uitspraak van deze plaatsnamen is etymologisch te verklaren. Men sprak het anders uit, dan dat het nu opgeschreven wordt. Denk bijvoorbeeld aan de 19-eeuwse schrijfwijze Lijmers (dat klonk Hollandser en dus netter), terwijl men Liemers zegt. In het geval van Gorkum ontstond deze variant door afslijting van de taal. Ooit was het Gorincs cheim/chem. 

 

naar boven ^

 

 

Betekenis familienaam Klutman

 

De wederwaardigheden van een familie, opgetekend en opgeslagen in archieven of vastgelegd in verhalen, notities en beelden, vertellen haar geschiedenis. Ook haar naam bevat, hoe gering soms, elementen waarmee deze geschiedenis kan worden verteld. Dat is zeker het geval met de familienaam Cluytmans.

 

De familienaam is een samengestelde naam. De stam is Cluyt. Het achtervoegsel is man. Man kan een vervorming van het oud-Germaans woord mond of mund (= beschermer/bewaker) dan wel een kind van-variatie zijn. Het is echter ook een verwijzingsnaam, dat wil zeggen afkomstig van, zoals Jan Bakelmans ofwel Jan afkomstig van Bakel. In het Brabantland tussen 1350-1450 komt deze variant vaak voor. Van Roij (van Sint Oedenrode) werd Roymans en Van der Heze werd Heesmans.

 

De stam cluyt kan worden gerangschikt onder de groep familienamen, die is gebaseerd op de bodemgesteldheid (zoals Polman, ter Braak en Hollekamp). De naam zou ook kunnen worden gerangschikt onder de groep familienamen, die een hoeveelheid of een verzameling aanduidt (bijvoorbeeld Brok, Paar, ten Hoopen. Denk aan "op een kluitje zitten" en "gaan met de hele kluit". De naam zou ook een patroniem kunnen zijn, ontstaan vanuit de oud-Germaanse naam Hlué naar Cluyt (hij die beroemd is, waarvan men hoort spreken).

 

De stam Cluet, Clut of Cluyt als afzonderlijke familienaam treffen we onder andere aan in de Duitse stad Geldern. In ‘Rechnungen und Zinslisten 1380-1415 Stadt Geldern’  komen voor Heijn Cloet en Johannes Cluet, Handwerker, Stijn Cluten en Rutger Cluet/Clut, Schöffe und Bürgemeister. In het archief van Huis Scheres te Baarlo komen we een acte tegen uit 1390, waarbij Johan van Wijenhorst, erfmaarschalk van den Berghe verklaart Hermane van Boijtbergh schadeloos te houden vanwege de borgstelling die Herman voor hem gedaan had bij Goswijn van Peelden gheheiten Cluet.

 

In het archief van de Commanderij van de Duitse Orde in Gemert 1249-1795 komen we deze vorm ook tegen bij Arnolt en Johannes Clut. Zij zijn schepen van Maastricht in het midden van de vijftiende eeuw en zonen van Barbe en Gerit Clut, eveneens schepen van Maastricht. In 1449-1453 is ook Gerart Clut schepen van Maastricht. In de Bossche Protocollen vinden we tussen 1376 en 1383 (folio 152) Alart Cloet van Gheffen gehuwd met Katelijn. We komen de naam Cloet verder tegen in het Bakelse deel van het cijnsboek van de hertog voor de Meijerij van Den Bosch. Tussen 1340 en 1351 betaalt Johannes Cloet 1 penning cijns (fol. 14v). In de Dungense Cijnsboeken komen Aleid Jan Cluet van Nuland en Jan Cluet van Nuland voor. Hierin wordt ook het Dungense pand Paterstraat B 674 vermeld. Dit blijkt Rutger, de zoon van het echtpaar Jutta en Jan Rutten van Griensvenne, op 14 juli 1447 te hebben gekocht van Aleit Jans Cluet.

 

De naam kan zich ook ontwikkeld hebben tot een toponiem. In 1616 stond bijvoorbeeld in Den Bosch aan de Verwer-straat het huis In den Cluyt, ook genoemd De Cluijt.

 

De verklaring en het ontstaan van de familienaam, waarover het hier gaat, is terug te vinden in de zogeheten Bossche Protocollen. Cluytmans blijkt een toponiem te zijn. In 1475-1476 wordt de zoon van wijlen Rutger Heer Keris aangeduid als Jan van de Cluijt geheten Cluijtmans. Ofwel het gaat hier om Jan afkomstig van een grondstuk, dat De Cluijt werd genoemd.

 

In de Bossche Protocollen vinden we ook een verwijzing naar een grondstuk met de gelijknamige naam (1382-1378, folio 337 R1177): “Jan Coman van Loen heeft erflijk verkocht Hendrick zoon wijlen Jan Colke en Matheus van Doerne uit een erfpacht 1 mud rogge Helmondse maat, welk Elisabeth weduwe wijlen Hendrick Hockel (?) beloofd had te betalen uit een stuk land genaamd Cloet”. Op 24 november 1433 wordt in het Helmondse schepenprotocol inv.nr. 217 fol. 89vo een erfdeling geregeld tussen leden van de familie Van der Heze. Het gaat hierbij over gronden in Bakel. Onder andere komt aan bod: “een stuc lants geheiten den cloet”.

 

In de Gelderse Liemers ontwikkelde de familienaam zich tot Kluitman en Klutman. In de rest van Nederland tot Kluitman. In Duitsland komen vooral de namen Kluitmann en Klutmann voor. De ui-naam is de vernederlandsing van de in de taal van Noord-Brabant, Midden-Limburg en Liemers als Kluutman uit te spreken familienaam. De oorspronkelijk geschreven "y" achter de "u" wijst daarop. De "y" diende om de lange u-klank aan te geven (denk bijvoorbeeld aan Oisterwijk, waarbij de i dient voor de lange o-klank). Mijn grootvader Toon Klutman en zijn kinderen spraken hun eigen familienaam nooit met een û-klank uit. Zij stelden zich altijd voor als ‘Kluutman’.

 

Het is natuurlijk opvallend, dat de familienaam zich in de Liemers splitste in de Klutman-variant en de Kluitman-variant. Antoon Klutman (1880-1973) vertelde daarover altijd de volgende familieoverlevering. Een voorvader en een naast familielid dienden beiden in het leger onder dezelfde commandant. Deze vond het te verwarrend om met twee Kluitmannen te maken te hebben. Daarom noemde hij de een Klutman en de ander Kluitman.

 

naar boven ^

 

 

Elisabeth W. van Gorkum-Klutman met haar eerste zoon Willem (1949)

 

 

Canonneke

 

Adriaan Dominicus Ghijsbert van Gorkum (1560-1630) wordt ook wel Adrianus Johannes Wijnen en Arien Mijnen of simpelweg Adriaen Dominicus genoemd. Hij trouwt in Oisterwijk op 7 september 1597 voor de kerk met Barbara Emberts de Weker. Zij is een dochter van Embert Embrechts de Weker en is afkomstig van de Kerkstraat in Oisterwijk.

Adriaan Dominicus Ghijsbert van Gorkum is in de wolhandel actief als lakenmaker en distributeur van wol onder wevers. Een belangrijke wolleverancier in die tijd is de familie Donckers. De broers Claes en Melchior Donckers leveren wol aan Adriaen. Hij betrekt zijn wol ook van Laureyns van Berckel.

 

Ook zijn schoonvader Embert de Weker moet in de wolhandel actief zijn geweest, want in oktober 1614 verklaart hij samen met Wouter Jans Ringels voor de schepenen en borgemeesters van Oisterwijk dat “over 70 en meer jaar altoos binnen de vvo 4 segelaren oft wairdijns die de wulle lakenen binnen deser vrijheyt gemaickt sijn bekuerende ende segelen en tekenen met hamere en ijsere tange daertoe dienende ook altijd 2 dekenen die dincomen vande gemelde ambachte alsook alle kueren en bruecken ontvangen invorderen nog 4 kuermeesters die over de gehele vrijheyt toesicht dragen en orde helpen houden in alle hanteren ende naturen deser vrijheyt opdat er geen valscheyt of onbehoir bij alhier? gehanteert en wordde volgen statuten orderen en kueren eertijts daerop gemaeckt dese segelaren dekenen en kuermeesteren alle jaer voor deen helft afgestelt en wederom andere gecoren die alle eedt moeten doen in handen van de schouteth de attestanten alhier geboren en altijd gewoond”.

 

 

Canonneke

 

Jacob Cluytmans (ca. 1640-1695) is in 1692 kerkmeester van de Sint Lambertuskerk in Helden. In die dagen was een kerkmeester belast met het financieel beheer van de plaatselijke kerk. Hij droeg de verantwoordelijkheid voor de inkomsten, uitgaven en rekeningen. De kerk was in de zeventiende eeuw een belangrijk instituut. De man die in het dorp de functie van kerkmeester vervulde, was een respectabel mens. Hij kon lezen, schrijven en rekenen en genoot het vertrouwen van de pastoor en de parochie.

 

Jacob Cluytmans trouwt te Helden in de Sint Lambertuskerk op donderdag 24 september 1671 met Maria (Mercken) Ceelen, ook wel genoemd Geuen, Caelen en Geven. Maria wordt gedoopt te Helden op 9 juni 1642. Haar doopgetuigen zijn Joannes Jois Ruts Meijelensis en Margareta Lupers. Zij is een dochter van Marcellus en Antonia Ceelen, ook genoemd Geeffen en Geven. Haar ouders zijn pachters van de kasteel-boerderij Gevenhof. Jacob Cluytmans is in zijn dagelijks leven landbouwer. Hij woont en werkt ook op de Gevenhof, later genoemd Heijnenhof, die hij door zijn huwelijk met Maria Geven vanaf 8 februari 1678 kan pachten van de ‘Heere Johan Rhené vander Boije, Heere tot Venray, Nerische, Macken, Vrij heere deser Heerlickheyt Helden etc’. De gronden van de Gevenhof maken deel uit van het leengoed Ten Hove, net als de kasteelhof, die ook “Hoof” wordt genoemd.

 

 

Canonneke

 

De Van Gorkums dragen een familienaam, die in haar oorspronkelijke vorm minstens duizend jaar oud is. Niet in alle gevallen kan de familienaam worden aangemerkt als een toponiem. De familie Van Gorcum uit Friesland en Drenthe droeg oorspronkelijk de naam Gercken/Goercken/Görcke (afgeleide van Gerardus!). In Nederland werd deze naam verbasterd tot Van Gorcum.

 

 

Canonneke

 

Stamoudgrootouder Jan Aerts van Gorkum (1390-1443) trouwt Aleyt Tielman Vetten, dochter van Tielman Jan die Vetten. Aleyt Tielman moet zijn geboren rond 1395 en overleden na 1460. Zij wordt minstens 65 jaar. Jan Aert is in 1440 cijnsman van anderhalf bunder land op het leengoed Vosselaer te Udenhout in de Biezenmortel bij den Reijt (waterloop). Hij betaalt in dat jaar drie 1/6 pond oude groten aan cijns.

 

Wat is het leengoed Vosselaar? In vroeger tijden werden de Brabantse lenen opgetekend in leenboeken. Het oudste leenboek, genaamd 'het latijnsboeck', bevat de leenmannen van hertog Jan III van Brabant in de periode 1312-1335. Dit leenboek vermeldt Jan Volkaert II, zoon van wijlen de ridder Jan Volkaert I. Hij woonde in Malle (Oost- en Westmalle tussen Turnhout en Antwerpen) en hield te leen 30 oude groten (solidos grossos) en twee hoeven lands in Udenhout. Dit moet het leenhof van de Vorselaar zijn geweest. Rond 1360 komt de halve heerlijkheid van Oostmalle in het bezit van Gillis van Maloes. De heerlijkheid Vorselaar in Udenhout zal blijkbaar ook mee overgegaan zijn. Op 15 november 1462 wordt Jan Stevenszoon de Bie (mede voor zijn neef Jan Janszoon de Bie)11 beleend met een deel der "heerlijkheid Voslaer in de parochie Oosterwijck", met het leengoed Blommerschot en met andere lenen, die hij geërfd had van heer Jan Volkaert ridder, en van Jan van Malois de oude, zoon van Gielis van Maloes. Het andere deel was op 2 december 1424 al verheven door Elisabeth van Maloes. Deze Elisabeth was een dochter van Jan II van Maloes. Jan II van Maloes was een natuurlijke zoon van Jan I van Maloes en kleinzoon van de eerdergenoemde Gillis van Maloes. Als in 1440 de hertog een inventarisatie maakt van zijn leengoederen wordt het leengoed de Vorselaar duidelijk omschreven. Als bezitster wordt nog steeds vermeld Lijsbeth van Maloes. Het denombrement (beschrijving) somt de goederen onder Udenhout op die cijnsplichtig zijn aan het leenhof van de Vorselaar'. De cijnsmannen van de Vorselaar moesten jaarlijks op meidag (l mei) de cijns ten huize van de Vorselaar in den Biezenmortel voldoen. Samen moesten ze 30 oude groten betalen.

 

Een van de cijnsmannen is “Lambrechts Tyelmans Vettensoen van Lambrechts wegen vander Rijt van 2 buenderen lants, 4 1/6 oude groten". Lambrechts vader, Tielman die Vette, beurt in 1402 van Hilla weduwe van Ghibo (=Gijsbert) Vetten en haar kinderen een erfpacht uit 13 lopense rogland in Udenhout aan die Gruenstraet (Groenstraat). Dit perceel werd ook "Gijb Vetten acker aen die Groenstraet” genoemd.

Volgens hetzelfde leenboek grenst Jan Aerts van Gorkum met zijn cijnsgoed aan het land van zijn zwager en schoonvader: “Jan van Gorkem van Lambrechts wegen vander Rijt van anderhalven buender lants, 3 1/6 oude groten". Jan blijkt al cijnsman te zijn in 1419, want volgens het leenboek van 1440 bezitten Aleijt weduwe van Jan Aert van Gorichem en Peter van Beerze als man van Elisabeth Hendrick Engbert van den Eynde in dat jaar bedoeld perceel. Het wordt dan omschreven als de helft in drie bunder beemd in Udenhout bij den Reijt (een waterloop) tussen Tielman die Vette en Peter van der Schoor, strekkende van Jan van Haerens leengoed tot een steeg.

 

Jan Aerts van Gorkum treedt in 1433 op als een van de Oisterwijkse mannen die ten behoeve van de proost van Sint Geertrude van Leuven en Jan van Famellerenx, genaamd van Geldonck, jaarlijks op Sint Andriesdag en op Allerheiligen van Sint Maartendag geld doneren.

 

 

Genealogie