Laat een bericht achter in het gastenboek of e-mail. Klik op contact.

 

 

Santiago de Compostela

 

De naamdag van Sint Jacobus is 25 juli. Ze valt dit jaar op een

zondag. Dus heeft de neef van Jezus een heilig jaar. Zijn bedevaartsoord is Santiago de Compostela. In 2010 worden

minstens 250 duizend pelgrims verwacht die hun camino eindigen

in de kathedraal. Journalist Rob Golin van de Volkskrant

schrijft in de editie van 10 juli 2010:

"Het moet een emotioneel moment zijn, na honderden of wel duizenden kilometers bedevaart: het eerste zicht op de kathedraal

van Santiago de Compostela, het huis van apostel Jacobus de Meerdere, Morendoder". 

 

500 Jaar geleden had Lambrecht Henricks van Gorkum

zo'n emotioneel moment. Hij volbracht de camino naar Sint Jacob om zijn ziel schoon te wassen. Deze was inktzwart geworden,

nadat hij op een dag in 1509 samen met neef Tielman Willem Huysmans in Berkel Ariaan Hessel Willemsoen doodsloeg. 

 

Voor deze moord kregen Lambrecht en Tielman een flinke straf.

De daders moesten 200 missen voor het zieleheil van het slacht-

offer bekostigen. Ze moesten vier ‘tortijsen’ (toortsen) van 12

stuiver per stuk bij de schepenen van Oisterwijk of bij de scheidsrechters bezorgen. Er moest een waskaars met een gewicht

van 1½ pond voor het beeld van ‘Sunte Wilbort’ in de kapel van

Berkel worden geplaatst. Er moest een houten kruis, voorzien van

drie ijzeren kruisjes, op de plaats van het misdrijf worden gezet. Tielman en Lambrecht werden verplicht voor beiden of voor een

van hen ter bedevaart te gaan naar de Sint Pieter in Rome en vervolgens naar de Sint Jacop in Galicië (Santiago de Compostela).

 

Lambrecht reisde in 1510 af naar Spanje. Vóór hij vertrok, regelde

hij op 18 februari 1510 voor de Oisterwijkse schepenen Henrick

Willem Emmen en Jan die Beer, dat vader Henrick van Gorkum

zijn bezittingen zou krijgen, als hem iets zou overkomen.

 

Met Lambrecht kwam het allemaal goed, nadat hij uiteindelijk na

een lange, lange wandeltocht in de kerk het beeld van Jacobus omarmde. Hij keerde terug, trouwde met Sijmone Rosen en

stichtte een gezin. Hoe lang hij onderweg was? Lambrechts camino duurde ongeveer twee tot drie jaar.

 

 

9 juli feestdag 19 Martelaren van Gorkum

 

Met de Martelaren van Gorcum worden negentien katholieke religieuzen en wereldheren aangeduid die omwille van hun geloof

door de Watergeuzen op 9 juli 1572 zijn opgehangen in een

turfschuur bij Den Briel. Het waren:

 

Adriaan Janszen van Hilvarenbeek
Andries Woutersz
Antonius van Hoornaar
Antonius van Weert
Claes Pieck

Claes van Poppel
Cornelis van Wijk
Dirk van der Eem
François de Roye
Govaert van Duynen
Govaert van Melver
Jacques Lacops

Jan van Hoornaar
Jan Lenaertsz van Oisterwijk
Jeronymus van Weert
Lenaert van Vechel
Nicasius van Heeze
Pieter van Assche
Willehad de Deen

 

De priesters werden in 1867 heilig verklaard.

 

 

Slag bij Waterloo

 

Op 18 juni 1815 vond de Slag bij Waterloo plaats. Zuidelijk van Brussel, op het grondgebied van de gemeenten Eigenbrakel en Waterloo, vochten 124.000 man Fransen aangevoerd door Keizer Napoleon tegen de coalitielegers van zes landen: het Engels-

Hollandse leger, 97.000 aangevoerd door hun generaal, de

Hertog van Wellington, en het Pruisische leger, 117.000 man

geleid door veldmaarschalk Blücher.

 

Na een acht uur durende strijd eindigde de veldslag met een

nederlaag voor de Franse troepen. Ze werden door een tangbeweging ingesloten door de Engels-Hollandse en Pruisische troepen. Er vielen bijna 9.500 doden en 32.000 gewonden. Het telegram over de overwinning verzond the Duke of Wellington

vanuit Waterloo. Zo kreeg de veldslag de naam van deze stad.

 

Jan Egbertus van Gorkum was tijdens de slag de oudste staf-

officier van generaal De Constant. Hij droeg wezenlijk bij aan de overwinning. Tijdens de slag wist Jan de blijvende toevoer van

munitie naar het slagveld te garanderen. De toevoer dreigde te blokkeren, omdat het verkeer op de wegen tussen Brussel en

Waterloo volledig was vastgelopen. In de daarop volgende dagen verleende hij als rechterhand van Prins Frederik der Nederlanden,

de tweede zoon van koning Willem I, belangrijke diensten aan het vaderland, met name bij de verovering van Quesnoy en de

blokkade van Valenciennes.

 

 

Johannes Leendert Romijn

 

Frans van Gorkum (1911-1995) gaat op 1 mei 1924 als 13-jarige jongen werken bij J.W. Koenders in Breedenbroek, onderneming

in rijwielen, motoren, radio, elektrische installaties, autogarage

en verhuurinrichting. Daar leert hij het vak van fietsenmaker, elektricien, monteur en chauffeur. Alle smidskinderen gaan die

richting op. Hij blijft er werken tot 22 april 1939.
Het getuigschrift dat hij meekrijgt meldt, dat Frans “al dien tijd

stipt en eerlijk zijn werk tot volle tevredenheid heeft vervuld en ondergetekende (lees J.W. Koenders) kan hem aan ieder als

trouw en onberispelijk aanbevelen”.

Zijn volgende werkgever is vrachtvervoerder Van Gend & Loos.

Daar blijft hij maar kort vanwege de slechte werkomstandigheden.

In hetzelfde jaar treedt hij in dienst van Luc Hendriks Autobus-onderneming te Zevenaar als buschauffeur.

 

De Tweede Wereldoorlog blijkt spelbreker te zijn. Frans wordt

thuis verwacht. Op 20 juli 1940 schrijft Luc Hendriks in het getuigschrift, dat hij “zeer tot myn spyt wegens omstandigheden

weer weg moest”. Hij moet voor de Duitsers werken. Hij komt als ‘krempelarbeiter’ terecht bij Johan Borgers K.G. te Bocholt.

Op 26 oktober 1940 krijgt hij een ongeluk. Hij verliest een

gedeelte van zijn rechter wijsvinger. In de jaren die volgen zit

hij niet stil. Zo neemt hij deel aan verzetsacties, als 250 Rotterdammers op transport naar Duitsland in Süderwick terecht komen. Vele jaren later vertelde Frans van Gorkum daarover het volgende verhaal.

 

“Op een zondagmorgen moest ik drie brandweerlieden uit

Den Haag naar Gaanderen brengen. Van daar uit werden ze

vervoerd naar Zutphen waar ze valse papieren kregen. De brandweerlieden kregen dienstpakken die op het uniform van

de NSB leken. Onderweg riepen ze mij toe: “Zo, hebben ze jou

ook te pakken”. De mannen zijn goed weggekomen”.

 

Met een van hen, de brandweerman Johannes Leendert Romijn uit

Den Haag, zou Frans van Gorkum contact blijven houden.

 

 

 

Het echtpaar Romijn

 

 

Theodor Russ

 

De fabrieksarbeider Bernhard Wilhelm Büink is een zachtmoedige man afkomstig uit Süderwick. Hij is een zoon van Wilhelm Büink en Adelheid Ueffing, die op 28 oktober 1856 in Süderwick trouwen. Wilhelm zelf wordt in dit grensplaatsje geboren en gedoopt op 23 mei 1831 als zoon van Johannes Boeinck en Johanna Tewith. Adelheid, geboren in Süderwick op 28 april 1830, is een dochter van Henricus Ueffing en Gertrud Henricdr. Stroetemann (Te Stroete).
Bernard ontdekt snel de grillen van koster Johan van Gorkum (1832-1925). Als hij verkering krijgt met Maria Dorothea van Gorkum maakt hij kennis met het punctuele van zijn schoonvader. Wanneer hij ’s zondags zijn meisje bezoekt, weet hij dat hij ’s avonds om acht uur moet vertrekken. De eerste keer, dat hij wordt uitgenodigd op de koffie, beseft hij nog niet dat in huize Van Gorkum stipt naar de tijd wordt geleefd. Maar als tijdens het tweede bezoek de klok acht slaat en vader Van Gorkum zegt: “Het is goed geweest, mijnheer Büink”, dan weet hij dat hij voortaan altijd op tijd afscheid moet nemen.

Johan is dan wel streng en punctueel, hij is ook rechtvaardig en trouw. Bernard Büink wordt in 1914 als soldaat naar het front geroepen. Bernard kan nog geen vlieg doodslaan. Hij wil niet, hij durft niet. Marie en de kinderen zijn hem alles. Vader Van Gorkum haalt Bernard over te deserteren en neemt hem en zijn gezin op in zijn huis. Het gezin Büink-van Gorkum zal nooit meer terugkeren naar het Duitse vaderland.


De nauwe familiebanden in Dinxperlo en Süderwick komen opnieuw onder druk te staan als in Duitsland Hitler aan de macht komt. De familie Van Gorkum probeert haar Duitse neven met hun gezinnen te bewegen weg te komen naar Nederland en onder te duiken. Maar ze durven het niet aan. Zij weten, dat de nationaal-socialisten hun vrouwen en kinderen ongenadig zullen straffen. Zo vergaat het vele grensfamilies.

 

Mathilde Büink, een dochter van Bernhard en Maria Dorothea, is inmiddels een pronte jonge vrouw geworden. Op 5 juli 1932 trouwt zij met Theodor Russ, een ondernemende jongeman afkomstig uit Hiesfeld bij Dinslaken. Hij is schoenmaker en sticht in Süderwick een schoenmakerij annex winkel. Met de geboorte van zoon Johannes op 30 januari 1940 telt het gezin Russ-Büink vier kinderen. Kort daarna sturen de nazi’s Theodor naar het front in Rusland. Moeder Mathilde evacueert met haar kinderen naar Spork. Het huisraad en alle machines uit de schoenmakerij laadt ze op een boerenwagen. Die trekt zij zelf naar Spork. Een boer biedt haar zijn trekpaard aan, maar Mathilde weigert. Ze kan het zelf wel. Met de Van Gorkumse familiegif in haar lijf brengt zij alles in veiligheid. Dochter Irma wordt ondergebracht bij haar grootouders in Breedenbroek. Daar heeft zij een onbekommerde jeugd. Ze wordt omringd met de zachtmoedige liefde van grootvader Bernard en de gematigde strengheid van grootmoeder Marie.   

 

 

Vlnr. Mathilde Russ-Büink (1909-1996), Johannes Russ (1940), Irma Schlütter-Russ (1933), Inge Reichenberg-Russ (1937) en Marlies Eiting-Russ (1936).

 

 

 

 

 

Canonneke

 

Lambrecht van Gorkum regelt zijn zaakjes goed, vóórdat hij in 1510 zijn camino (bedevaarts-tocht) maakt. Hij laat de Oisterwijkse schepenen Henrick Willem Emmen sz en Jan die Beer Peterss vastleggen: “cont want Lambrecht Henricks soen van Gorcum bij w. Ghijsbrecht d.w. Gijsbrecht Huysmans in meyninge was te trecken bedevaert tot sunt Jacops in Galisse als hij sede daarom zo is gestaan Lambrecht voors. in vorm van testament gemaakt Henricke zijnen vader om deswille die selve Henrick zijn vader hem zekere penningen heeft geleent in zijnen noet als hij bekende alle erfgoederen na dood w. Ghijsbrecht zijn moeder aencomen en verstorven sijn - indien hij inden wege van lijve ter doet quame - mer indien hij van dese bedevaert gesont wederom thuys quame soe behelt hij hier inne volcomen macht”.

_____________________________

 

Canonneke

 

Jan Egbertus van Gorkum droeg tijdens de Slag bij Waterloo in zijn borstzak het miniatuurportret van zijn vrouw Jacoba Lydia Maria. Het portret redde hem het leven. Toen een kogel op hem werd afgevuurd, ketste deze af op het medaillon.

__________________________ 

 

Canonneke

 

"Het zal in de zomer van 1963 zijn geweest. Brandweerman Romijn uit Den Haag kwam met zijn gezin op bezoek.

De Romijns waren stadse mensen. Dat zag je, dat hoorde je. Ze spraken wat zangerig. Heel netjes. We namen de kinderen mee naar de boerderij van ome Frans en tante Mie. De kinderen keken vol verbazing om zich heen. In het kot zagen ze voor het eerst een varken. Opgetogen sloegen ze de handen op elkaar. Ome Frans lachte. Hij was net bezig met het vetmesten van een flinke zeug."

 

"'s Middags aan tafel bad Ma voor. Natuurlijk het katholieke Engel des Heren met een extra Weesgegroet na. Als gewoonlijk raffelden we ons deel van de gebeden af. De zondagse soep geurde. We lieten ons het soepvlees, gevleid tegen de krulvermicelli met zoetzure augurken, uitjes en Franse mosterd goed smaken." 

 

"Na het eten vroeg Romijn of hij het dankgebed mocht uitspreken. We keken elkaar verbaasd en wat onbeholpen aan. Bij ons aan tafel was Ma de enige die voorging in een eeuwenoud gebed. Pa nam ons meedogenloos streng op en fronste zijn borstelige wenkbrauwen. Pas veel later  begrepen we, dat de familie Romijn protestant was. Hij sloot zijn ogen en vouwde zijn handen. Zijn gezin volgde eerbiedig. Romijn sprak geen oeroud gebed. Hij zocht met eigen woorden contact met Onzelieveheer. "Dat kunnen alleen protestanten. Zij bidden met hart en hoofd", zei mijn broer later. Romijn dankte God voor de goede gaven, voor de genoten gastvrijheid en voor nog veel meer. Ook dankte hij God voor onze vader die hem had gered uit de handen van de Duitsers!" 

 

"Aan onze tafel heeft daarna niemand meer zo vurig en openhartig gebeden. Wel

stelde Ma ons brandweerman Romijn nog heel lang als voorbeeld van de vurig gelovige mens, die wij later ook zouden moeten zijn. Wij herinnerden ons vader. Hij was waarlijk een held....." 

__________________________

 

Canonneke

 

"De foto van moeder met ons is gemaakt na het vertrek van vader als soldaat naar Rusland in 1941. De foto moest worden gemaakt om hem aan het Oostfront een beetje op te monteren. Kijk eens naar onze gezichten. We zijn allemaal angstig en bedrukt. Alleen de kleine Johann had nog weinig weet van de ellende. We realiseerden ons waarom de foto werd gemaakt. We dachten dat onze vader nooit meer zou terugkeren........"

 

Theodor Russ (1905-1954) kwam na afloop van de oorlog wel naar huis. Later zou blijken dat meer dan 80% van alle Duitse verliezen in de Tweede Wereldoorlog werd geleden aan het Oostfront.

 

Het Oostfront was tijdens de Tweede Wereldoorlog de naam voor het toneel van oorlogs-handelingen in Centraal- en Oost-Europa vanaf 22 juni 1941 tot 9 mei 1945. Het Oostfront is synoniem voor het verlies van vele mensenlevens en de on-menselijke manier van oorlog voeren.  

 

 

 

 

 

.

 

Belangrijke familiedagen

 

25 juli 

Sint Jacobus

 

9 juli

19 Martelaren van Gorkum

 

18 juni

Slag bij Waterloo

 

4/5 mei 

WO II  

Aktua